Lekkende pijplijn

Frits Vaandrager 02-02-2017, 11:35

Frits Vaandrager Frits Vaandrager is hoogleraar Informatica. Bekijk alle berichten van Frits Vaandrager

Het besluit van minister Bussemaker om 5 miljoen euro beschikbaar te stellen om geschikte vrouwelijke universitair hoofddocenten aan te stellen als hoogleraar heeft tot flink wat discussie geleid. Volgens Steven Verhelst berust de maatregel van Bussemaker op een misverstand en bestaat er helemaal geen lekkende pijplijn voor vrouwen.

Het huidige aantal vrouwelijke hoogleraren is geen afspiegeling van de huidige groep studenten of promovendi — dit zijn twee andere `cohorten’. Verhelst wijst op de honoreringspercentages bij de Vici- en Vidi-programma’s van NWO: ‘In 2011 was respectievelijk bijna 23 en 33 procent van deze toponderzoekers vrouw – bijna exact hetzelfde percentage als het aantal vrouwelijke promovendi in de van toepassing zijnde jaren uit het verleden (respectievelijk 24 en 30 procent; cijfers van het CBS).’ Volgens Verhelst is het lek in de pijplijn daarmee gedicht, maar omdat het gemiddeld 22 jaar duurt voordat een beginnende promovendus is doorgestroomd naar een hoogleraarspositie, duurt het gewoon nog een tijd voordat het percentage hoogleraren op peil is.

Nu heeft NWO inderdaad al gedurende vele jaren een actief genderbeleid. Als lid van het Gebiedsbestuur Exacte Wetenschappen heb ik van 2006 tot 2012 van nabij mogen meemaken hoe de selectie bij de Vici- en Vidi-programma’s tot stand kwam. Uitgangspunt was steeds dat de beste onderzoekers het geld kregen. Maar omdat je appels en peren vergelijkt was het vaak niet duidelijk wie er de beste was. In zulke situaties konden selectiecommissies de voorkeur geven aan een vrouw. En wanneer een excellente vrouw net buiten de boot dreigde te vallen, probeerde het bestuur om nog wat extra geld te vinden om die aanvraag toch te honoreren. Dit beleid was effectief.

Onder het voorzitterschap van Roelof de Wijkerslooth voerde ook ons College van Bestuur in deze periode een actief beleid en stelde veel vrouwelijke hoogleraren aan. Maar ik heb toch het idee dat dit beleid onvoldoende gedragen werd op de werkvloer binnen mijn faculteit. Dat zie je bijvoorbeeld wanneer je kijkt naar de onderstaande grafiek. Het percentage vrouwelijke hoogleraren binnen de bèta-faculteit is in de periode 2010-2016 zelfs gedaald van 12% naar 10%, omdat een aantal vrouwelijke hoogleraren inmiddels posities heeft aanvaard in het buitenland. Verhelst wijst terecht op het ‘cohort effect’, maar maakt een denkfout wanneer hij concludeert dat het lek in de pijplijn is gedicht op basis van honoringspercentages binnen de NWO vernieuwingsimpuls.

PijplijnBinnen de bètafaculteit is er de afgelopen paar jaar veel veranderd en er is nu een actief genderbeleid dat breed gedragen wordt door de instituten. Ik denk dat we daarmee het lek in de pijplijn voor universitaire docenten, universitaire hoofddocenten en hoogleraren gedicht hebben, maar we zullen de komende jaren moeten blijven oppassen voor nieuwe lekken. Het percentage vrouwelijke hoogleraren zal de komende jaren ongetwijfeld weer gaan stijgen, mede dankzij de goede maatregelen van minister Bussemaker.

Waar ik mij zorgen over maak is de daling van de percentages vrouwelijke promovendi en postdocs. Hier is denk ik sprake van een nieuw lek. De weg naar een vaste aanstelling bij een universiteit is tegenwoordig zo lang, moeizaam en onzeker, dat veel talentvolle vrouwen liever voor een andere carrière kiezen. Zeker ook omdat ze van nabij meemaken dat de werkdruk voor docenten en hoogleraren momenteel ongezond hoog is.

Geef een reactie