Weg-weg

Stan van Pelt 05-04-2017, 09:12

Stan van Pelt Stan van Pelt was tot 1 april postdoc bij het Donders Instituut Bekijk alle berichten van Stan van Pelt

‘Maar ben je nu dan ook echt weg-weg?’ vraagt een collega als ik stapels bureaupapier richting papierbak sjouw. Dit lijkt een absurde vraag, maar weggaan als je aanstelling ophoudt is helemaal niet vanzelfsprekend binnen onderzoeksinstituten als de onze. ‘Aan het eind van m’n geld houd ik altijd een stuk maand over’, wist Loesje jaren geleden al. Voor tijdelijke onderzoekers geldt iets soortgelijks: aan het einde van je contract houd je vaak nog een stuk project over.

Promovendi zitten vaak een half jaar of langer achter hun oude vertrouwde bureau vanuit de WW fulltime aan hun proefschrift te werken – slechts 60 procent promoveert binnen zes jaar. Zo ook werken gewezen postdocs regelmatig nog vanaf de universiteit door om projecten of publicaties af te maken, totdat ze ergens anders een nieuwe (onderzoeks)aanstelling hebben gevonden. Alsof je de schoonmaker stopt te betalen, maar hij/zij toch nog braaf elke week blijft langskomen.

Het lijkt misschien een ‘mooi stukje service naar de mensen toe’, die ruimhartige ter beschikking stelling van werkplekken, pc’s en printers, maar op de keper beschouwd is het een kwalijke zaak. Allereerst natuurlijk omdat de WW-uitkering als verkapt salaris ingezet wordt – daar worden zowel belastingbetalers als overheid niet blij van. Maar het houdt ook noodzakelijke veranderingen op de universiteit tegen. Voor de leidinggevenden is het namelijk ideaal, want het werk wordt gratis gedaan: meer output voor minder geld.

Als (ex-)werknemer lijkt het ook gunstig: voor je volgende baan kun je zowel een positieve referentie hard gebruiken, als ook de artikelen die nog (af)geschreven moet worden. Win-win hoor ik u denken, maar eigenlijk zit je klem. Niemand werkt natuurlijk voor zijn lol zonder betaald te worden, maar als ambitieuze onderzoeker bevind je je in een afhankelijke positie.

Zo werkt het de noodzaak tegen om iets te verbeteren aan het krankzinnige systeem van die extreem grote ‘flexibele schil’ van tijdelijke contracten. Want het universitaire systeem zou natuurlijk muurvast lopen als iedereen echt alles uit zijn handen zou laten vallen aan het eind van zijn aanstelling.

Voor continuïteit van onderzoek is ook continuïteit van mensen noodzakelijk.

4 reacties

  1. Harold Bekkering schreef op 5 april 2017 om 11:57

    Mooi geschreven en belangrijke column Stan! Een probleem is dat je met een schilder een afspraak kunt maken van ik betaal je voor het schilderen van deze 4 muren. De schilder kan goed inschatten hoeveel tijd dit kost en vraagt dan een bepaald bedrag hiervoor. Wij hanteren min of meer dit model. Je kunt promoveren op het schrijven van 4 artikelen en we verwachten dat je dit in 4 jaar tijd gaat doen is bij ons de gedachte. Maar wetenschappelijke bevindingen laten zich niet in tijd vangen. Flexibiliteit qua tijd of qua output is wenselijk en dit geldt zeker ook voor het post-doc contract.
    Ik mis je nu al Stan!

    • Kalinka van de Camp schreef op 5 april 2017 om 18:12

      Dus de beroepsgroep die het best uitgerust zou moeten zijn in overstijgend denken en het meewegen van mogelijke van invloed zijnde variabelen is slechter in plannen dan de doorsnee schilder? Natuurlijk niet.
      Wetenschappelijke bevindingen laten zich wel degelijk in tijd vangen. Ik ben 12 jaar draaideur onderzoeker bij het Radboud geweest en niet één van mijn projecten paste in de tijdsplanning zoals in de subsidie aanvraag was voorgespiegeld. Uitloop is de standaard, pertinent niet de uitzondering. Er wordt een concurrerende planning opgenomen in de subsidie aanvraag in de hoop de kans te vergroten om de subsidie binnen te slepen. Waarmee de vicieuze cirkel in stand wordt gehouden.
      Er is geen flexibiliteit nodig wat betreft input en output, er is stellingname nodig van het handjevol wetenschappers dat wèl een vaste baan heeft weten te bemachtigen. Dat zijn degenen die de waarden van het vak zouden moeten beschermen en die een vuist zouden moeten maken tegen de vercommercialisering van de wetenschap. Zo had in dit geval Stan niet gemist hoeven worden als alleen was gekeken naar de competenties van de kandidaat en diens bewezen kennis van en betrokkenheid bij de organisatie. Maar helaas. Niiet liefde (voor de wetenschap) overwint alles. Dat doet geld.

  2. Marijtje schreef op 5 april 2017 om 21:15

    Tja, maar die promovendus en postdoc zijn in loondienst, dan liggen de verhoudingenm, verantwoordelijkheden, regelingen etc. toch wat anders dan bij een schildersbedrijf dat een klus aanneemt.

  3. Stan van Pelt schreef op 5 april 2017 om 22:04

    Uiteindelijk heeft e.e.a. toch heel erg met personeelsbeleid te maken. Dat kwam gisteren ook sterk naar voren in de werkconferentie van NWO over subsidieaanvraagdruk waar ik afgelopen dinsdag was. Er wordt op het moment gestuurd/geselecteerd op individuele output, i.p.v. op ‘team science’. De extreem grote ‘flexibele schil’ maakt het systeem heel inefficiënt. Door de hoge turnover rate lopen onderzoekslijntjes snel dood en blijven er veel onafgeronde projecten, en steeds meer mensen zonder zekerheid. Geen effectieve besteding van onderzoeksgeld en geen goed werkgeverschap, dunkt mij. Door i.p.v. een leger met alleen generaals (dixit Klaas Landman) over te gaan naar ‘team science’ creeer je veel meer continuïteit in onderzoek, hogere kwaliteit, en beter perspectief voor jonge onderzoekers. Je zou dan ook bv funding kunnen geven aan (bestaande) teams i.p.v. aan individuen of nog nieuw aan te trekken mensen. Teamkwaliteit zou je dan bv uit kunnen drukken in de ‘T-index’ i.p.v. H-index (een idee van Rianne Letschert). Hierdoor verdwijnt de noodzaak voor jonge onderzoekers een VENI/VIDI-aanvraag in te dienen om nog enigszins kans op een wetenschappelijke toekomst te hebben, wat weer vermindering van aanvraagdruk (en hogere honoreringskansen) tot gevolg heeft. Zo kan ik nog wel even doorfilosoferen.

Geef een reactie