Zomerinterview (7): Willem Halffman

Paul van den Broek 09-08-2016, 12:42

Photo: Erik van 't Hullenaar

EH_1606_halfmann

Drie jaar geleden stond wetenschapssocioloog Willem Halffman op als een van ’s lands grootste luizen in de pels in de universitaire wereld. Wie is de man die kritiek leveren in onderzoek en onderwijs tot belangrijke waarde verheft? ‘Ik probeer in mijn colleges de hoofden van studenten te laten tollen.’

Wetenschapshistoricus Christoph Lüthy zei: ‘Vraag hem naar paarden en muziek’. Uw guilty pleasure?
‘Ik ben de laatste drie jaar milder geworden voor mezelf, ik leefde te veel in mijn hoofd, en dat kan niet als je met paarden omgaat. Die beesten hebben een bizar goede sociale intelligentie: als je de stal inloopt voelen ze je stemming en als je gestrest bent, weet je zeker dat je gedonder krijgt met je paard. Die pikt dat niet. Je móet je paard met aandacht en geduld benaderen, ze worden niet voor niks ingezet bij therapieën om tot rust te komen.’

Uw passie is paarden met muziek, dressuur dus?
‘Door de bossen zwerven was toch saaier dan ik dacht, nu beoefen ik inderdaad de dressuur, maar de muziek komt er pas bij als ik echt gevorderd ben. Dressuur geeft een prachtige interactie, het is bijna dansen als het goed gaat, een sport met een onvoorstelbare diepgang, die je in een ander universum brengt.’

Uw collega en vriendin Tamara Metze noemt een andere passie, het draaien van plaatjes. Hebt u ooit voor de keuze heeft gestaan: dj worden of onderzoeker?
‘Nee, muziek is een hobby. Eén keer per maand draai ik plaatjes in een café in de Staatsliedenbuurt. Ik vind het prachtig om van alles uit te zoeken: hoe muziekstijlen bewegen door culturen en tijden heen, hoe een Griekse handelaar Cubaanse muziek naar Congo bracht, en hoe in de jaren vijftig en zestig in Jamaica de ska opkwam, ver voor Bob Marley beroemd werd met zijn reggae. Fascinerend!’

We kunnen Tamara geruststellen dat u voor de wetenschap behouden blijft?
‘Ja, ze kan gerust zijn. Muziek is leuk, maar niet belangrijk genoeg, ik kan me er niet boos over maken. Ik zeg altijd tegen studenten: ‘Ga door met iets waar je je boos over maakt’. Je hebt die opwinding nodig om je vast te kunnen bijten.’EH_1606_halfmann

Kennisfabriek
Waar u zich boos over maakt laat zich raden: de universiteiten deugen niet. Maar na het manifest van vorig jaar (zie kader) is het erg rustig. Bent u niet boos meer?
‘Nee, we schreven in 2013 al een eerste versie van het manifest, mijn boosheid is voorbij. Na jaren van kritiek heb ik me afgelopen jaar vastgebeten in iets opbouwends, samen met studenten van de Honours Academy heb ik me verdiept in de ideale universiteit. We zien die als een meent: een kennisgemeenschap waar wetenschappers en studenten ideeën uitwisselen, waar we met organisaties samenwerken om urgente problemen aan te pakken, waar burgers colleges kunnen bijwonen.’

Voor welk probleem van de huidige universiteiten is de meent de oplossing?
‘Een meent komt in plaats van het bedrijfsmatig model waarin universiteiten nu zitten gevangen: de kennisfabriek, de koekjesfabriek voor studenten. Waarom zouden gewone mensen niet mogen binnenlopen om colleges te volgen, waarom doet onze universiteit zo moeilijk over het online beschikbaar maken van onderwijs? Overal moet voor betaald worden, en de samenleving redeneert: ‘We hébben toch al betaald, via de belastingen’. Het bedrijfsmatig model is koren op de molen van populisten. ‘Waarom zijn jullie er niet voor óns’, roepen ze tegen universiteiten die hun deuren niet opengooien, en ze hebben nog gelijk ook.’

Over welke zaken binnen de Radboud Universiteit maakt u zich nu boos?
‘Om het argument dat je nu hoort om de toestroom van buitenlandse studenten te motiveren, die we in huis halen met nieuwe Engelstalige bachelors. Waarom? ‘Omdat we moeten groeien.’ Je kunt daar tal van argumenten tegenin brengen, maar het groeimodel, het verdienmodel, is zó hard dat je het bijna niet van tafel krijgt. Engels onderwijs is onzin: de meeste studenten komen gewoon in Nederlandse organisaties te werken, en weten zich dan niet eens meer fatsoenlijk uit te drukken. Bizar!’

‘Steentjes in de machinerie gooien kan vandaag al’

Leidt de onvrede nog tot nieuw protest, zoals vorig jaar? Het is oorverdovend stil aan het front.
‘In Amsterdam zijn de problemen weggemasseerd in twee commissies. Het gaat ook wel wat beter, met de medezeggenschapseisen bijvoorbeeld, maar ik hoor onder studenten voortdurend gemopper. Waar zijn we in godsnaam mee bezig?! Waarom dat onderwijs in kleine, hapklare brokken? Waarom die strenge limieten om ons door het systeem te jagen?! Ik probeer in mijn colleges de hoofden van de studenten te laten tollen. Zodanig, dat ze bij wijze van spreken van alles moeten heroverdenken en een half jaar studievertraging oplopen. Niet dat ik ze die vertraging gun, maar er is gewoon meer tijd en ruimte nodig in ons onderwijs. Het is zeker dat er een volgende crisis zal uitbreken, maar vraag me niet waar en wanneer. Er is overbevolking, met te kleine budgetten.’

Tomaten
Uw Amsterdamse collega Hans Radder noemt het moedig dat u vorig jaar, nota bene onder tijdelijk contract, op de barricade stond voor de nieuwe universiteit. Voelde u dat ook zo?
‘Om eerlijk te zijn, ik was bang vorig jaar. Maar ik dacht ook: ‘Als ik dit niet kan zeggen, hoef ik hier ook niet meer te werken.’ En toen kreeg ik dit jaar een vast contract, eindelijk! Eindelijk het gevoel dat ik welkom ben bij deze club. Dat ik een plek krijg, ook nu ze weten dat ik het debat zoek. Mooi, zó hoort het te zijn.’

Het manifest maakt zich boos over de wildgroei aan tijdelijke contracten. Is dat ook omdat het medewerkers minder moedig maakt?
‘Het maakt minder moedig, maar dat is een afgeleid verschijnsel, geen opzet. Universiteiten proberen te groeien met contractfinanciering, en daar horen tijdelijke mensen bij.’

Christoph Lüthy noemt u een toonbeeld van de publieke intellectueel. Blijft u zich zo manifesteren, ook al komt het uw academische loopbaan niet ten goede?
‘Er zijn andere dingen die mijn loopbaan in de weg zitten. Ik publiceer niet zo veel, omdat ik alleen wil publiceren als ik écht iets te zeggen heb, alles echt goed heb doorgrond. Wat ook niet helpt, is het teveel aan investering in mijn onderwijs. Ik heb bij elkaar wel twintig nieuwe cursussen ontworpen. Niet goed voor je carrière.’

En dat onderwijs geeft u op de meest bevlogen manier. Serge Horbach, die een scriptie bij u maakt, vraagt zich af of onderwijs uw hart nog meer heeft dan onderzoek.
‘Het is echt allebei, en onderwijs is erg belangrijk. Kritisch leren nadenken boven alles. Het zijn de mooiste momenten als ik in een college het kwartje in het hoofd hoor vallen. ‘Oh, nu begrijp ik wat u bedoelt!’ Dan is mijn dag goed.’

Als een theaterman haalt u alles uit de kast. Twan Joosten volgde uw vak Geschiedenis van de biologie en verhaalt van een koffer met tomaten waarmee u de stof verlevendigt.
‘Ja, vind ik belangrijk. Als ik een uur over tomaten heb gepraat, tover ik die tomaten uit mijn koffer om ze uit te delen. Zeg ik: ‘Deze tomaten zijn ontzettend goed voor je geheugen.’ Dan zie je de studenten kijken: ‘Tomaten!? Goed voor je geheugen?’ Zeg ik: ‘Ja, want dit college ga je nu nooit meer vergeten’.’

Bescheidenheid
U heeft een bijzondere dubbelheid. U bent activist én bescheiden. Lüthy noemt u ‘het meest vooraanstaande onopgemerkte talent van de universiteit’.
‘Ons past bescheidenheid. Alles wat we beweren, is een voorlopige waarheid en het beste dat we tot nu toe kunnen leveren. Dat vindt de samenleving niet leuk, want mensen willen zekerheid. Het is precies die bedrijfsmatige logica die maakt dat wetenschappers in de media tóch dingen gaan beweren waarvan ze zelf ook wel weten dat het niet helemaal klopt. Een van de problemen van de huidige universiteit is dat het de mensen beloont die als beste hun ego’s weten op te peppen.’

En die bescheiden man staat ineens op het podium als Mister Manifesto. U schrikt dan zelf van de rol die u inneemt?
‘De man áchter die woorden is bescheiden. Al heb ik het ook in me om af en toe mijn nek uit te steken. Het draaien van plaatjes is ook een daad van onbescheidenheid, net als het geven van colleges. Je móet dan uitpakken. Maar nu dat manifest achter de rug is, stap ik ook weer gemakkelijk van het podium. Ik wil geen volksmenner worden. Ik broed nu op een ideaal model van de meent, en pas als de tijd rijp is, treed ik weer naar buiten.’

Ook een meent bestaat uit mensen: er staan ego’s op, regelneven en brulkikkers. Hoe voorkom je dat zo’n meent binnen de kortste keren weer een ‘gewone’ universiteit is?
‘Er ligt nu te veel macht bij de regelsystemen en indicatoren. Zelfs bestuurders hebben het gevoel dat ze daaraan vastzitten. We moeten meer beslissingsmacht verschuiven naar professionals en hun maatschappelijke netwerken.’

Moeten we wachten tot die ideale meent is uitgetekend, of kunnen studenten en wetenschappers er vandaag al mee beginnen?
‘Iedereen kan nú iets doen. Steentjes in de machinerie gooien kan vandaag al. Mensen uitnodigen om je college bij te wonen kan ook nu, met kritische vragen stellen over je werk of studie hoeft niemand te wachten. Het universitair systeem is hardnekkig, maar je bent nooit alleen maar slachtoffer.’

Vera Jansen, de bureaumanager van uw vakgroep, wil graag weten wat al uw werkkracht op gang houdt. Wat drijft u?
‘De trots op vakmanschap. Zoals een timmerman geniet van een mooi gemaakte kast, kan ik elke keer weer genieten van een goed geslaagd college. Of een mooi geschreven stuk. Dan ga ik blij naar huis.’

2 reacties

  1. Heleen de Coninck schreef op 11 augustus 2016 om 14:57

    Een ode aan Willem! Volkomen terecht, en dank aan de mensen die deze dingen over hem hebben gezegd. Wat heb ik een respect voor deze warme, wijze en waardige collega.

  2. Marian Noorderwerf schreef op 12 augustus 2016 om 06:18

    Prachtig verhaal en helemaal mee eens. Vastbijten: niet uit frustratie, maar voor het belang en het groter geheel.

Geef een reactie