Waarom zijn er minder vrouwelijke hoogleraren?

16-01-2017, 15:07

Foto: Gerard Verschooten

gv_f0216

OPINIE Filosoof Fleur Jongepier probeert nuance aan te brengen in de discussie over het glazen plafond. Die discussie ontaardt al gauw in een moddergevecht, vindt zij.

Minister Bussemaker stelt 5 miljoen euro beschikbaar om de komende vijf jaar geschikte vrouwelijke universitair hoofddocenten aan te stellen als hoogleraar. De reacties zijn verdeeld. Radboud onderzoeker Chantal Bax schrijft dat vrouwen minder vaak de top van de academische ladder bereiken ‘niet omdat zij minder geschikt zijn voor de wetenschap, maar omdat zij in een context moeten opereren die hun nog altijd minder gunstig gezind is’ en dus dat Bussemakers voorstel noodzakelijk is. Steven Verhelst (KU Leuven) schrijft daarentegen dat Bussemaker miljoenen wil gaan besteden ‘om een probleem op te lossen dat er niet is’. Beide stukken zijn beslist het lezen waard.

Om een of andere reden is het zo dat wanneer het over vrouwenquota gaat elke nuance als sneeuw voor de zon verdwijnt. Een bepaalde mate van dogmatiek lijkt erin te sluipen. Degene die van mening is dat het glazen plafond niet bestaat, zal een stuk met een kop als ‘Vrouwenquota is nodig’ bij voorbaat al met gefronste wenkbrauwen lezen. Het moet wel fout zijn. Andersom gebeurt denk ik vaak hetzelfde. Degenen volgens wie het glazen plafond bestaat en een ernstig probleem is (bijvoorbeeld omdat zij het plafond aan den lijve hebben ondervonden) plaatsen bij voorbaat bij elk kritisch geluid hun handen over hun oren of voor hun ogen. Het moet wel fout zijn. Het zou me niet verbazen dat de zogenaamde ‘confirmation bias’ vooral de kop opsteekt wanneer wetenschappers moreel/politieke onderwerpen bespreken. Het resultaat is vaak geen discussie maar een stand-off, of erger, een moddergevecht.

Maar de stukken van Bax en Verhelst versterken elkaar. Want wanneer we deze stukken naast elkaar leggen, rijzen er nieuwe vragen. We leren iets over seksisme—namelijk, welke vragen we moeten stellen—wanneer we deze stukken welwillend en in combinatie lezen.

Het glazen plafond
Bax stelt de vraag hoe we het gebrek aan balans tussen m/v moeten verklaren. Ofwel we moeten stellen dat vrouwen daadwerkelijk dommer zijn dan wel slechter zijn in wetenschap. Ofwel vrouwen worden wel degelijk benadeeld. De eerste is een ad absurdum, ergo, er zijn wel degelijk bepaalde obstakels voor vrouwen om de top te bereiken, en daarom is de balans scheef.

Verhelst betwijfelt deze conclusie. Hij maakt wat ik zal noemen het ‘cohort’-argument: Bussemaker en co argumenteren dat, omdat er nu ongelijkheid is en de man/vrouw-balans niet snel genoeg verbetert, er nu iets gedaan moet worden. Maar daarbij wordt gekeken naar de huidige aantallen hoogleraren. Dat is niet onproblematisch. Mogelijk is het aantal vrouwelijke hoogleraren anno nu geen afspiegeling van de huidige groep studenten of promovendi—dit zijn twee andere generaties of cohorten (zie ook : dit stuk).

Het cohort-argument moet mijns inziens serieus worden genomen. Ik ben het eens met Ingrid Robeyns dat de vraag die gesteld dient te worden de vraag is ‘of vrouwen in de wetenschap dezelfde reële kansen krijgen als mannen’. De vraag is: reële kansen voor wie op basis waarvan? Het punt van het cohort-argument is dat slechte cijfers over de huidige m/v-balans van hoogleraren niet per se een (goede) indicatie is voor de reële kansen van de huidige studenten/promovendi. Misschien zijn we dus aan het overcompenseren. Wanneer we kijken naar de cohorten, is er misschien wel geen ongelijkheid is – dat is in elk geval Verhelsts stelling.

Met het cohort-argument komen er nieuwe vragen aan de orde die we moeten gaan adresseren. Want als het (mogelijk) zo is dat er niet per se een glazen plafond meer is voor vrouwelijke hoogleraren is de volgende vraag hoe we dan al het empirisch onderzoek moeten verklaren (wegverklaren of debunken) over impliciete oordelen, onbewust seksisme, enzovoort. Wat laat al dat onderzoek dan wél zien, als het niet laat zien dat het voor vrouwen de facto moeilijker is om in topposities terecht te komen? Dit is niet bedoeld als retorische vraag.

Is een oplossing voor (onbewust) seksisme op de werkvloer een betere balans in UD/hoogleraren aantallen?

Een andere vraag die rijst wanneer we Bax en Verhelst in combi lezen gaat over de ervaringen van vrouwelijke wetenschappers. Veel vrouwen geven aan vervelende ervaringen te hebben gehad waarin ze zich als vrouw seksistisch bejegend hebben gevoeld, of waar ze zagen dat dit in hun directe omgeving gebeurde. De voorbeelden zijn helaas legio. Wat moeten we daar mee? Maar wegwuiven want het plafond bestaat (misschien) niet?

Als het cohort-argument geldig is, dan volgt dat natuurlijk niet per se. Wat mogelijk volgt is dat we beter onderscheid moeten gaan aanbrengen in wat voor verschillende problemen er zijn wanneer we kijken naar vrouwen in de wetenschap. Eén (mogelijk) probleem dat wordt aangekaart door Bax en anderen is dat de hooglerarenbalans scheef is. Daar kunnen we het over hebben—en daar verhoudt het cohort-argument zich kritisch toe. Een mogelijk ander probleem is het feit dat huidige vrouwen in de wetenschap soms te kampen hebben met daadwerkelijk en venijnig seksisme. Daar gaat het cohort-argument niet over. Dat punt blijft dus hoe dan ook overeind.

Wat nu vaak gebeurt is dat deze problemen in tandem worden genoemd en besproken (en dus ook: in tandem zogenaamd worden ‘wegverklaard’ of ‘opgelost’). Misschien is één les, Bax en Verhelst samenpakkend, dat we beter deze problemen van elkaar kunnen loskoppelen. Vervolgens moeten we de vraag stellen of deze twee (en vast nog meer) verschillende problemen verschillende oplossingen behoeven. Is een oplossing voor (onbewust) seksisme op de werkvloer een betere balans in UD/hoogleraren aantallen? Is een oplossing voor de slechte balans in UD/hoogleraren aantallen het uitroeien van (onbewust) seksisme op de werkvloer? Misschien wel—maar het is niet evident.

Seksisme in de Filosofie
Tot slot: problemen omtrent seksisme in de filosofie – de geesteswetenschappen misschien in het algemeen – zijn zeer acuut. Maar is dat ook zo bij rechten? Scheikunde? Misschien wel, maar mogelijk is het daar minder erg, of zijn er ander soort problemen omtrent seksisme. Of misschien zijn de aantallen niet in orde, maar voelen vrouwen zich over het algemeen veel meer geapprecieerd dan bij (sommige) filosofiefaculteiten. Wanneer er inderdaad zulke verschillen zijn en we niettemin gaan generaliseren, kan dit de neiging tot ‘moddergooien’ versterken en een fatsoenlijke discussie in de weg staan. Ik denk daarom dat we moeten oppassen al te algemene uitspraken te maken over welke problemen ‘er zijn’, en dus ook, wat er aan gedaan moet worden—wat de oplossing is. Misschien zou er aan filosofiefaculteiten wel een hardere tik moeten worden uitgedeeld dan aan (sommige) andere faculteiten, omdat het daar simpelweg nodig is. Het zou me niet verbazen.

Dit stuk werd eerder gepubliceerd op de filosofieblog Bij Nader Inzien.

2 reacties

  1. Paul Hoebink schreef op 19 januari 2017 om 14:50

    Het cohort argument heeft nog een tweede laag: als er in Nederland weinig vrouwen exacte wetenschappenen techniek studeren (in vergelijking met andere Europese landen) dan zijn er twee vertekeningen: 1. In de exacte wetenschappen en techniek zijn er twee keer zoveel hoogleraren als in de sociale wetenschappen en letteren vanwege de beta-financiering; 2. Carrières in de letteren en sociale wetenschappen gaan veel langzamer. Tel daarbij op de stagnatie die is ontstaan, omdat het universitair onderwijs sinds 2000 27% minder per student ontvangt.
    Om het bestaan van het glazen plafond aan te tonen is dus veel gedifferentieerder, discipline-gericht, onderzoek nodig en onderzoek naar de financiering van die disciplines nodig

  2. L.J. Lekkerkerk (Hans) schreef op 19 januari 2017 om 16:49

    “Een leerstoelendans voor diversiteitsbalans?”
    Het gezeur over de scheve genderverhouding bij leerstoelhouders en de minder dan halve maatregelen om die te verbeteren, ben ik na bijna 20 jaar in dienst van de KUN/RU helemaal zat. Ik pleit daarom voor een drastische maatregel: een grote leerstoelendans. Eenvoudigweg alle 4.514 hoogleraren (M/V) ontslaan en open werven voor de ontstane 4.514 vacatures. Met daarbij per faculteit de verplichting zo te benoemen dat de leerstoelhouders per leeftijdscohort behalve qua man-vrouw-verhouding ook maar meteen een afspiegeling van de samenleving vormen in alle andere diversiteitsindicatoren (denk aan LBGT, etniciteit, handicap, EQ-score).
    Qua reorganisatieregels kan dat bijvoorbeeld door bij elke universiteit tekorten te creëren ter grootte van de som van de personele kosten van leerstoelhouders (Minister doe uw best). Om die forse tekorten op te lossen is een formele reorganisatie nodig. Dan bedenkt iemand dat de functiecategorie leerstoelhouders samen het tekort veroorzaken, zodat die allemaal, zonder aanziens des persoons, ontslaan het tekort doet verdwijnen.
    Vervolgens is het tekort opgelost en dan schept de Minister opnieuw ruimte op de begroting. Uiteraard mogen leerstoelhouders weer naar hun eigen leerstoel solliciteren, maar herbenoeming hangt af van de diversiteitscriteria en misschien grijpen universiteiten deze leerstoelendans aan om minder functionerende hoogleraren zonder dossieropbouw of ander gedoe te demoveren tot U(H)D of buiten te laten.

Geef een reactie