Zomerinterview (1): Montasser AlDe’emeh

Tim van Ham 27-06-2016, 16:41

‘We komen je afmaken’ is een van de appjes die hij kreeg uit Raqqa. Buitenpromovendus Montasser AlDe’emeh zocht Nederlandse en Vlaamse jihadisten op in Aleppo. Tot woede van IS probeerde hij vervolgens tientallen geradicaliseerde jongeren tegen te houden die ook in Syrië wilden vechten.

Montasser AlDe’emeh (1988) scrollt nonchalant door zijn WhatsApplijst aan een Brusselse cafétafel. ‘Kijk’, zegt-ie. ‘Deze lui zitten allemaal in Syrië, bij IS.’ Hij opent een oud gesprek over een Syriëganger uit Kortrijk die zichzelf vorig jaar opblies in Irak. Zijn bezorgde moeder bracht AlDe’emeh op de hoogte, die de negentienjarige tevergeefs op andere gedachten probeerde te brengen. Tot woede van IS, zo blijkt uit de berichtjes die volgden: ‘Hoe durf je met hem over zijn zelfmoordaanslag te praten? Je wou op hem inpraten? Vuile hond van de kuffar (ongelovigen, red.) dat je bent!’

‘Ik kon geen vriendin hebben en droeg een enorme jihadistenbaard’

Nog een appje uit Raqqa: ‘We komen je afmaken.’ AlDe’emehs reactie: ‘Kom maar op maat. Denk je dat ik bang ben?’ En: ‘Echte mannen schelden niet achter een scherm.’ Chatten met zelfmoordterroristen en doodsbedreigingen pareren behoort niet tot het standaardtakenpakket van onderzoekers aan de Radboud Universiteit. Wie is deze buitenpromovendus? En hoe belandde hij in hemelsnaam aan het front in Syrië?

Vox zoekt hem op in de Brusselse wijk Sint-Jans-Molenbeek, waar hij woont. Op een zonnige dag is voor de buitenstaander niet te merken dat dit stadsdeel het ‘jihadcentrum van Europa is’, zoals The New York Times schreef. Kinderen spelen, mensen groeten elkaar en de enige politie op straat leidt een staking in goede banen. Toch kwamen minstens drie van de acht terroristen van de aanslagen in Parijs uit deze wijk.

Jihadistenbaard

Montasser AlDe’emeh doet als buitenpromovendus aan de Faculteit der Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen onderzoek naar radicaliserende moslimjongeren en woont in die zin dus op de perfecte plek. ‘Ik bekijk hoe zij bepaalde concepten van de islam uitleggen’, zegt hij. ‘Termen als jihad en kalifaat krijgen vaak een ultraradicale invulling. Ik leg de verschillende interpretaties naast elkaar. Voor conclusies is het te vroeg, maar het lijkt erop dat geradicaliseerde jongeren jihadideologen volgen die ook populair waren toen jihadisten in Afghanistan tegen de Sovjet-Unie vochten in de jaren tachtig.’

Foto: Artur Eranosian.

De manier waarop AlDe’emeh zijn onderzoek doet, is uniek. Meer dan naar eeuwenoude geschriften en hoge geleerden, kijkt hij naar hoe radicale jeugd nú tegen benaderingen van de islam aankijkt. AlDe’emeh hing veel rond met extremistische jongeren. Het gesloten wereldje van radicale moslims accepteerde hem als observerende vlieg op de muur.

‘Ik ben een Palestijn, stam af van een prominente stam en ken de Koran zowat van buiten’, vertelt hij. ‘Daardoor word ik eerder geaccepteerd dan andere wetenschappers. Maar ik moest me ook anders voordoen dan ik ben. Twee jaar lang was ik volledig geïntegreerd in die kringen. Ik kon geen vriendin hebben en droeg een enorme jihadistenbaard. Ik riep dingen in de media waar ik niet achter stond, deed me radicaler voor dan ik was.’ Het zal rond deze tijd zijn geweest dat zijn naam bij inlichtingendiensten op de radar verscheen.

Al-Qaida
Een toneelstukje wil AlDe’emeh het niet noemen, eerder een onderzoeksmethode die zijn eigen overlevingskansen vergrootte. Het werkte. Via ex-leden van de inmiddels verboden salafistische en jihadistische organisatie Sharia4Belgium, regelde hij dat hij in de zomer van 2014 mocht langskomen in een huis op het platteland van Aleppo, waar toen Vlaamse en Nederlandse jihadisten verbleven. De groep vocht voor het aan Al-Qaida gelieerde Al-Nusra Front, vooral tegen Assad.

‘Ik móést gewoon gaan. Ik dacht: als ik nu niet ga, ga ik nooit meer. Ga ik wel, dan wordt het óf mijn dood, óf ben ik als enige wetenschapper ter wereld daar waar het gebeurt. Ik wil niet gewoon wat onderzoeken schrijven, ik mik hoger.’

Zonder zijn familie iets te vertellen, vertrok hij. Het werd een surrealistische trip. ‘Al in het vliegtuig van Istanbul naar Hatay zag ik mensen denken: die gast met die baard gaat naar Syrië. Eenmaal in Hatay heb ik een taxi genomen naar de grens. Overal waren jihadisten. Op tien meter van de grens deelde iemand een pak identiteitskaarten uit aan strijders die Syrië binnen wilden – onder de neus van de Turkse politie. Die gast keek me aan en zocht een foto die op me leek. Opeens ging de poort open en kon ik – zonder valse identiteitskaart – doorlopen. Ik betaalde enkele tientallen dollars aan een Turkse agent.’

Toen de blinddoek afging, richtten twee gemaskerde mannen hun kalasjnikovs op hem

Eenmaal ‘binnen’ reisde hij naar een villa met zwembad waar Vlaamse en Nederlandse Syriëgangers woonden. In de omgeving zag hij dingen die hij nooit meer zal vergeten. Ziekenhuizen met kinderen onder de vliegen. Bominslagen op enkele honderden meters afstand. Woonwijken die bijna helemaal van de aardbodem zijn gevaagd.

Het werd écht spannend toen hij in de gevangenis van de rebellen belandde. AlDe’emeh had links en rechts gepolst of hij Abu Mohammad al-Julani kon spreken, de hoogste baas van Al-Nusra in Syrië. Dat leverde argwaan op. Hij werd opgepikt, geblinddoekt en in een auto gezet. Toen de blinddoek afging, richtten twee gemaskerde mannen hun kalasjnikovs op hem, in een bloedhete ruimte ergens in de woestijn.

 

 

‘Het was zo’n vreemde situatie – een dag ervoor zat ik bij wijze van spreken nog in het café in Brussel – dat ik tijdens het wachten in slaap ben gevallen. Uiteindelijk ben ik verhoord door de hoogste chef van de inlichtingendienst van Al-Nusra. Na een lange dag mocht ik gaan. De jongens in de villa waren blij toen ik terugkeerde, ze wisten niet of ze me ooit nog zouden terugzien.’

Eenmaal terug in België probeerde  AlDe’emeh zijn oude leven weer op te pakken. Hij hielp ontspoorde jongeren, hij schreef en gaf lezingen. Het leverde hem enige bekendheid op in de stad. Gedurende de wandeling van en naar het café in Brussel wordt hij vier keer aangesproken door mensen die hem de hand willen schudden. De strekking van de gesprekjes is steeds hetzelfde: ‘Hoe gaat het? Wanneer kom je weer langs?’ Het zijn medewerkers van scholen waar AlDe’emeh regelmatig spreekt.

Toen hij net terug was uit Syrië, bleven de traumatische beelden hem achtervolgen, vertelt hij. Zijn vertrouwen in de mensheid was verdwenen. AlDe’emeh werd zelfs suïcidaal. Het plan was om in het noorden van Noorwegen een bos in te lopen en daar dood te vriezen.

Raqqa
Uiteindelijk kwam hij er zonder psycholoog of medicatie weer bovenop. De lachende kindergezichten op de basisscholen waar hij lezingen gaf, deden hem goed. Beetje bij beetje herpakte hij zich. Tussen de nachtmerries en depressieve buien door scheen soms de zon. Zijn herstel kreeg – gek genoeg – een boost na de aanslagen in Parijs, eind vorig jaar. ‘Zo’n aanslag, dat is toch van den zotte? Dat was voor mij het moment om écht op te staan. Ik wist: dit kan niet langer zo. Ik had me voor mijn trip naar Syrië op de vlakte gehouden over moslimextremisme, maar sinds die aanslagen neem ik geen blad meer voor de mond. Ik vertel weer openlijk wat ik vind, denk en voel. Dat heeft me bevrijd. Langzaamaan ben ik weer de Montasser geworden die ik echt ben.’

montasser alde'emeh

Sindsdien is er in de Vlaamse media geen grotere IS-criticaster te vinden dan AlDe’emeh. Kranten, tijdschriften en tv weten hem te vinden. Lange tijd had hij een deradicaliseringscentrum in Mechelen, later ook in Molenbeek. Dat bleef niet onopgemerkt bij IS. Via Vlaamse jihadisten in Raqqa weet hij dat hij op ‘een lijst’ staat met doelwitten. ‘En sommige van die gasten weten waarschijnlijk wel waar ik woon.’

Bang is AlDe’emeh niet. ‘Ik heb besloten geen rekening meer te houden met dreigementen. Ik wil geen politiebewaking en ik kijk niet voortdurend over mijn schouder. Ik zeg wat ik wil, punt.’ Hij laat een korte stilte vallen en schraapt zijn keel. ‘Staat je recorder nog aan? Mooi, dan heb ik een boodschap voor IS: ik stop niet. Ik heb in mijn eentje tientallen jongeren tegengehouden die naar Syrië wilden gaan. Jullie kunnen mijn lichaam doden, maar mijn ideeën niet. Ik ga door.’

Hij glimlacht erbij, maar is tegelijkertijd bloedserieus. Het is geen grootspraak, garandeert hij. ‘Die gasten zijn radicaal. Dan moeten wij dat ook zijn. Ik geloof niet dat liefde alles overwint. Moed overwint, en kracht. En een duidelijke visie. Hoe kun je liefde tonen voor iemand die zich wil opblazen in een vol theater? Ze moeten kappen met die doodsbedreigingen. Als die gasten mij blijven zoeken, dan laat ik als eerbetoon aan de slachtoffers van de Brusselse aanslagen de Belgische vlag wapperen in Raqqa. Ik meen het. Hoe? Daar komen ze wel achter.’

Op de kamer van de jonge Montasser hangt een poster van Osama bin Laden

Montasser AlDe’emeh wordt in 1988 geboren in een vluchtelingenkamp in Jordanië, nadat zijn Palestijnse ouders zijn gevlucht uit Israël. Het gezin AlDe’emeh belandt op een boerderij in een gehucht nabij Dendermonde. De jonge Montasser kan er nooit aarden. Hij is – in het kleine Vlaamse dorp – de enige allochtoon van zijn leeftijd. De enige moslim ook. AlDe’emeh leert uit eigen ervaring alles over de kloof waar radicaliserende jongeren in België in kunnen vallen.

Dat merkt hij vooral op 12 september 2001, daags na de aanslagen van 9/11. Hij noemt het de eerste dag van de rest van zijn leven. België polariseert en de dertienjarige Montasser wordt in het moslimhokje gedrukt. Hij voelt zich onbegrepen en radicaliseert in sneltreinvaart. De puber maakt plannen om in Palestina voor de goede zaak te vechten. Op zijn kamer hangen posters van Che Guevara en Fidel Castro én Osama bin Laden. Hij verslindt boeken vol radicale, islamitische teksten.

Uiteindelijk ziet AlDe’emeh het licht tijdens een college Geschiedenis van het Jodendom aan de universiteit in Leuven. ‘Toen de professor aan de les begon, ging mijn geest bijna letterlijk open. Nooit kwam ik dichter bij de ervaring van ‘verlichting’ dan toen. Alle zeepbellen waarin ik geloofde, werden doorgeprikt.’ AlDe’emeh gaat mee op studiereis naar Auschwitz, waar hij leert over de Holocaust, waarover zijn vader altijd zei dat ‘het allemaal wel meeviel’.

Geheime dienst

Vanuit die ervaringen zette AlDe’emeh zich tot afgelopen voorjaar in zijn eigen deradicaliseringscentrum in voor jongeren die zich verloren in de radicale islam. Door ze een ander, genuanceerd verhaal te vertellen, wilde hij ze weer op het rechte pad brengen. Inmiddels is hij noodgedwongen gestopt. ‘Het is op. Ik kan het niet meer. Ik heb me lange tijd ingezet voor een betere samenleving, maar de autoriteiten waren duidelijk niet geïnteresseerd in samenwerking. Ik ga me nu richten op mijn promotie aan de Radboud Universiteit, zodat ik later sterker terug kan komen.’

‘Zit ik in Parijs op het terras, belt de Franse geheime dienst. Of ik eens wil komen praten.’

Makkelijk gaat dat loslaten niet. Op zijn telefoonscherm toont hij een berichtje uit Syrië: ‘Mijn zoon ligt op sterven. Help hem alstublieft naar België te komen.’ De moeder en haar jonge zoontje zijn in Syrië maar kunnen niet weg. Er is een foto meegestuurd, vanuit het ziekenhuis. ‘Ik kan het niet’, stuurde AlDe’emeh terug. ‘Je moet het federaal parket maar op de hoogte brengen.’

Dat laatste wil hij best uitleggen. ‘Stel dat ik iemand help terug te keren die hier vervolgens een aanslag pleegt. Uit empathie met een enkeling kun je geen heel land in gevaar brengen. Ik heb van mijn hart een steen gemaakt en help ze niet. Daarbij: wie na het zien van alle ellende daar nog zo stom is om naar Syrië te gaan, moet een man zijn en de gevolgen dragen.’

Wat AlDe’emeh na zijn promotie gaat doen, weet hij niet. Amerikaanse instanties trekken aan zijn mouw. Talloze inlichtingendiensten zijn al langs geweest. ‘Zit ik in Parijs op het terras, belt de Franse geheime dienst. Of ik eens wil komen praten. Hoe die weten dat ik in Frankrijk was, is me een raadsel. Waarschijnlijk werd ik afgeluisterd, misschien nu nog wel. Vergis je niet: ik denk dat ik meer contacten in radicale kringen had dan wie ook in Nederland of België.’

Een carrière als spion ambieert hij niet. ‘Ik help graag. Ik word vaak benaderd op Facebook door mensen die willen praten. Het deradicaliseringscentrum moest stoppen, maar ik stuur in België niemand weg. Ik ga altijd het gesprek aan. Als iemand met zichzelf in de knoop zit en ik kan helpen, waarom zou ik dat niet doen?’

Dit verhaal verscheen in Vox #9, die je hier online kunt lezen

Geef een reactie